In geding bij de Raad van State is de vraag of het college van B&W een bodemonderzoek mag verlangen na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, zelfs als de kans op verontreiniging klein is.

Een ondernemer heeft enige jaren een bedrijf geëxploiteerd om beschadigde stalen afvalcontainers van derden te herstellen. Voor dat doel huurde deze ondernemer een bedrijfsruimte op een perceel en een aantal machines, waaronder een verfspuitcabine en een thinnerrecyclingsmachine. Na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten heeft het college van B&W geconstateerd dat geen rapportage over de resultaten van een bodemonderzoek is ingediend bij het college.

De inrichting voor het herstellen van de containerbakken was een type-B-inrichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Het college van B&W heeft na het constateren van de bedrijfsbeëindiging wegens het overtreden van artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de voormalige inrichtinghouder gelast binnen twaalf weken alsnog een dergelijk rapport op te sturen. 

Appellant betoogt dat ten onrechte is geconcludeerd dat sprake is van een overtreding. Er is ten onrechte overwogen dat binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten zijn verricht. Appellant beweert slechts verfreparatiewerkzaamheden verricht te hebben die niet als bodembedreigende activiteit kunnen worden beschouwd. De vloer van de ruimten waarin deze werkzaamheden werden verricht, bestaat namelijk uit beton en staalplaten. Het is uitgesloten dat de gebruikte verfmiddelen in de grond terecht zijn gekomen, aldus appellant.

Naar het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is sprake van een bodembedreigende activiteit. De Afdeling weegt hier mee dat appellant niet heeft betwist dat hij gebruik heeft gemaakt van bodembedreigende stoffen. Aangezien het gebruik van deze stoffen plaatsvond in het kader van een bedrijfsmatige activiteit, is, sprake van een bodembedreigende activiteit. Wat appellant heeft aangevoerd over de vloer van de ruimten doet daar niet aan af. 
Daarbij merkt de Afdeling op dat uit artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit, niet volgt dat, indien een bodembeschermende voorziening wordt aangebracht, zoals bijvoorbeeld een vloeistofdichte vloer, geen verplichting geldt om na de beëindiging van de inrichting een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toe te zenden aan het bevoegd gezag. De kleinschaligheid van de omvang van de activiteiten, waardoor de kans op verontreiniging verwaarloosbaar is, kan niet leiden tot de conclusie dat het college ten onrechte de last heeft opgelegd. Het bodemonderzoek is juist bedoeld om vast te stellen of al dan niet bodemverontreiniging heeft plaatsgevonden. 

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat op grond van artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit, binnen zes maanden na beëindiging van het bedrijf van appellant een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit aan het college had moeten worden toegezonden. 

Wijze les(sen):

De aanwezigheid van bodembeschermende voorzieningen hebben geen invloed op de verplichting tot een eindsituatie-onderzoek na (gehele of gedeeltelijke) beëindiging van bedrijfsactiviteiten. Die verplichting wordt uitsluitend bepaald vanwege de uitvoering van bodembedreigende activiteiten.

Gerelateerde projecten