Spoorkoorts. Dat was de naam van een nieuwe aandoening aan het einde van de negentiende eeuw.
De koorts was geen fysieke koorts maar betrof de onrust en spanning, veroorzaakt door de hectiek van reizen per spoor. De term[1] past achteraf beschouwd evengoed bij de koortsachtige aanleg van spoorwegen die een groot deel van de 19e eeuw kenmerkte.
Tussen 1825, toen Engeland de eerste spoorlijn bouwde, en 1878 was de ‘geheele uitgestrektheid der spoorwegen over de aarde’ toegenomen tot 321.272 kilometer. Absolute koploper waren de Verenigde Staten, waar 128.187 kilometer was aangelegd, in Europa gevolgd door Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk.[2]

Rails & locomotieven

De sterke wens om spoorwegen aan te leggen had in Nederland pas vanaf 1860 tot een versnelling geleid. In dat jaar besloten regering en parlement de nieuwe spoorwegen in Nederland op kosten van de staat aan te leggen – er lag op dat moment pas 335 kilometer.  Een paar jaar later werd bepaald dat particuliere maatschappijen zich met de exploitatie zouden gaan bezighouden. De enorme opgave van aanleg en exploitatie werd een belangrijke nieuwe broodwinning voor een deel van de jonge generatie Delftse ingenieurs.  

De veranderingen in Nederland gingen echter verder dan de zichtbare rails en hoorbare locomotieven; de hele aanleg en verbetering van de infrastructuur – op het land en het water – kreeg vorm. Zelfs de bestuursstructuur ging volledig op de schop.  Daarbovenop introduceerde de onderwijshervorming van 1863 een nieuw type onderwijs: de Hoogere Burgerschool (hbs). Jongens – meisjes werden aanvankelijk niet toegelaten – uit de gegoede burgerij konden zich op de hbs in 5 jaar voorbereiden op een maatschappelijke carrière.  Een diploma verschafte toegang tot de ingenieursopleiding in Delft.

Johan en Jacobus

De oudste voorloper van het huidige Royal HaskoningDHV ontstond – niet toevallig – precies in deze tijd van economische en technologische versnelling. En de geschiedenis van dit ingenieursbureau begint met het levensverhaal van twee jongens die toen in Nederland opgroeiden: Johan van Hasselt uit Sneek (links - 5 mei 1850) en Jacobus de Koning uit Voorschoten (rechts - 9 juni 1855).

Historische bronnen vertellen niet of Johan van Hasselt de hbs bezocht. Maar zeker is dat Jacobus de Koning rond zijn twaalfde naar de hbs in Haarlem ging. Hij kreeg daar lessen boekhouden, handelskennis, moderne talen, wis-, natuur- en scheikunde. Na zijn eindexamen in 1872 schreef hij zich in als ‘kweekeling’ aan de Polytechnische School in Delft. Hij wilde civiel ingenieur worden.  Johan van Hasselt was daar juist afgestudeerd, in precies hetzelfde vak. Ze zijn elkaar vermoedelijk niet tegengekomen. 

Het waren opwindende tijden. Door ontwikkelingen in de wiskunde en de statistiek was ‘voorspellen door berekenen’ leidend geworden, in plaats van ‘toeval en ervaring’. De ‘futloosheid’ van het begin van de eeuw had plaatsgemaakt voor optimisme en verbeteringsdrang, rechtstreeks geïnspireerd door de vooruitgang van de wetenschap en de komst van machines. 

De hogere burgerij vormde in Nederland de groep die zich het meest geroepen voelde tot verbeteren. De studiekeuze van Van Hasselt en De Koning illustreert hoezeer ze kinderen van hun tijd waren. Ingenieurs waren immers bij uitstek vormgevers van vooruitgang, letterlijke wereldverbeteraars. In de woorden van De Koning was “het doel dat elk ingenieur voor ogen heeft of althans behoort te hebben: verhooging van de stoffelijke welvaart van de maatschappij”. 

Groots en meeslepend als dit mag klinken, was het in de vroege jaren zeventig niet zo dat enorme groepen jongens zich in Delft inschreven en afstudeerden. Zo studeerden in 1870 maar 171 kwekelingen aan de Polytechnische School. Pas vijf jaar later was hun aantal toegenomen tot 263 studenten, waaronder 127 aspirant civiel ingenieurs. 
Zodra ze hun diploma hadden behaald, zetten deze ingenieurs vergelijkbare stappen: het gros werkte in ambtelijke dienst aan de aanleg van spoorlijnen, de droogmaking van polders of  – ook in staatsdienst – aan de normalisatie  van rivieren. 

Dat was ook de route die De Koning volgde toen hij in 1876 direct na zijn afstuderen ging werken als buitengewoon opzichter van de Rijkswaterstaat in Nijmegen. Op zijn eenentwintigste was hij verantwoordelijk voor snelheidsmetingen van rivieren.  
Johan van Hasselt was vijf jaar daarvoor een ander pad ingeslagen, want hij “gevoelde zich […] meer aangetrokken tot particulieren dan tot Staatsdienst en vond plaatsing bij den spoorweg van Nijmegen naar Tilburg, waarvoor door particulieren concessie was verkregen en waarvan toen de plannen in wording waren.”  Hij verhuisde in 1876 naar Nijmegen.

Nijmegen was ook de stad waar de twee ingenieurs elkaar in 1877 voor het eerst ontmoetten. Het decor was een toonbeeld van ‘de vooruitgang in uitvoering’: op dat moment werden de oude vestingwallen afgebroken en de Waal genormaliseerd.  Vanaf 1879 kwamen daar nog een spoorbrug en een nieuw station bij. 
Er ontstond meteen een innige vriendschap tussen de beide ingenieurs. Zonder dat ze professioneel samenwerkten, bespraken ze spontaan allerlei technische onderwerpen, en De Koning vergezelde “dikwijls Van Hasselt [..] bij opmetingen en ander terreinwerk”.

Nijmegen

De Waalkade in Nijmegen met stoomschepen en spoorbrug - tekens van de nieuwe tijd, ca. 1900.

Problemen oplossen

Johan van Hasselt had het druk. De particuliere spoorwegmaatschappij waar hij werkte was geen financieel en organisatorisch succes en daardoor stokte het werk regelmatig. Hij begon particuliere opdrachten ‘van technische aard’ aan te nemen, en de hoeveelheid opdrachten nam toe. Zozeer, dat hij toen de spoorwegmaatschappij hem – na een reorganisatie – vroeg om terug te keren, besloot zich volledig toe te leggen op het particuliere civiele ingenieursvak. 

Jacobus de Koning had intussen zijn ambtelijke baan bij Rijkswaterstaat ingewisseld voor werk in dienst van de Staatsspoorwegen. Hij was in 1879 getrouwd met Marie van den Bosch, een jonkvrouw, en woonde op stand in Rotterdam. De Koning werkte aan de spoorlijn Rotterdam-Hoek van Holland. Deze baan viel hem bitter tegen. Hij verveelde zich, twijfelde fundamenteel aan een verdere loopbaan als ingenieur en leerde, om toch ergens mee bezig te zijn, in zijn eigen tijd Italiaans en Spaans: “in een minimum van tijd overwon hij, dankzij zijn buitengewoon geheugen, de groote moeilijkheid bij het Spaansch, de onregelmatige werkwoorden”.  Hij overwoog serieus zich voortaan te wijden aan de letteren. 

Op zoek naar een oplossing voor de uitzichtloosheid vroeg hij advies aan zijn vriend Van Hasselt. Die meende dat het voor het ingenieursvak een verlies zou zijn als De Koning het de rug zou toekeren, én zag voor zichzelf direct een kans. Als De Koning zijn compagnon werd, zouden ze sámen de bergen werk kunnen verzetten! De heren lieten er geen gras over groeien: “De Koning kwam onmiddellijk Van Hasselt over deze zaak spreken en binnen een paar uur was alles beklonken” .

 

1881

Het bureau vestigde zich in het najaar van 1881 in Nijmegen onder de naam J. van Hasselt en De Koning, waarna de compagnons een reeks briefjes schreven om hun relaties op de hoogte te brengen van het nieuws. Ze werkten vanuit het huis van Johan van Hasselt in de Hertogsteeg 111[1].

Hoe vanzelfsprekend deze gang van zaken achteraf ook lijkt, het was destijds een innovatie van jewelste om een ingenieursbureau te starten. Vooral een bureau dat zich principieel alleen maar wilde bezighouden met “zuiver wetenschappelijke en technische arbeid” en koopmanschap in de vorm van agenturen[2] daarbij nadrukkelijk uitsloot. Ze schreven:

“…Wat het tweede punt betreft, wij bewegen ons, althans voorshands, uitsluitend op het technisch wetenschappelijk gedeelte van ons vak en niet op handelsterrein. Dientengevolge hebben wij geen agenturen en zoeken wij die ook niet, ons echter voorbehoudende een enkele zeer goede agentuur aan te nemen, zoo die ons mocht voorkomen. De reden hiervoor zult gij lichtelijk begrijpen: door het aannemen van agenturen offert men meer of minder van zijn onafhankelijk standpunt als adviserend ingenieur op en zouden wij ons daarmede slechts belasten wanneer zij een zoo groot provisie beloofden, als een wijziging van ons ingenomen standpunt zou wettigen.” 

Ze waren een uitzondering: van alle 550 in Nederland rondlopende afgestudeerde Delftse ingenieurs, werkte maar een enkeling zelfstandig. De meesten beschouwden bovendien hun particulier ingenieurschap als iets tijdelijks en keerden na een korte periode weer terug in dienst van een bedrijf of de staat.  

Van Hasselt en De Koning merkten dat ze zakelijk een gouden en – zoals snel zou blijken – blijvende formule te pakken hadden, niet in de laatste plaats door de manier waarop hun talenten “op een wijze die wel zeldzaam genoemd mag worden”  op elkaar aansloten. Van Hasselt was volgens een tijdgenoot een man die zijn “fijne wiskundige blik” en vaardigheid in detailleren het liefst inzette voor ‘het goede’. De Koning zou, commerciëler, zich minder als technicus en meer als econoom ontwikkelen. Met een voorliefde voor ‘het nuttige’.  

Bouwtekening

Bouwtekening van Van Hasselt en De Koning met doorsneden van het schepradgemaal in Arkemheen.

Goed zichtbaar is de imposante stoomketel, 1882.

Stoom in de praktijk

De twee ingenieurs werkten vanuit Nijmegen voor een reeks opdrachtgevers in het oosten van Nederland aan voornamelijk waterbouwkundige werken. Ze maakten onder meer ontwerpen voor stoomgemalen en dijkverzwaringen, schreven rapporten over waterlossing en waren jarenlang betrokken bij de normalisering van de rivier de Oude IJssel.  

Stoommachines werden in de periode niet alleen ingezet bij de uitvoering van veel werken in de ‘natte waterstaat’; eerst en vooral waren ze de drijvende kracht achter nieuwe systematische methoden van polderbemaling.  Voor ontwerp en bouw van de stoomgemalen zochten waterschappen contact met ingenieurs, zoals Van Hasselt en De Koning.  Deze organiseerden op hun beurt het volledige werk van ontwerp tot aan de uitvoering. 
Hoewel het wemelde van de machinefabrieken in die dagen – ook in Duitsland – kozen de Nijmeegse ingenieurs dikwijls voor de stoommachines van Gebr. Stork & Co. uit Hengelo. Waarschijnlijk speelde hier mee dat Van Hasselt verklaard voorstander was van ‘Nederlandsche Nijverheid’; hij had goede relaties met de ondernemers Stork. 
 

Rails & locomotieven

De sterke wens om spoorwegen aan te leggen had in Nederland pas vanaf 1860 tot een versnelling geleid. In dat jaar besloten regering en parlement de nieuwe spoorwegen in Nederland op kosten van de staat aan te leggen – er lag op dat moment pas 335 kilometer.  Een paar jaar later werd bepaald dat particuliere maatschappijen zich met de exploitatie zouden gaan bezighouden. De enorme opgave van aanleg en exploitatie werd een belangrijke nieuwe broodwinning voor een deel van de jonge generatie Delftse ingenieurs.  

De veranderingen in Nederland gingen echter verder dan de zichtbare rails en hoorbare locomotieven; de hele aanleg en verbetering van de infrastructuur – op het land en het water – kreeg vorm. Zelfs de bestuursstructuur ging volledig op de schop.  Daarbovenop introduceerde de onderwijshervorming van 1863 een nieuw type onderwijs: de Hoogere Burgerschool (hbs). Jongens – meisjes werden aanvankelijk niet toegelaten – uit de gegoede burgerij konden zich op de hbs in 5 jaar voorbereiden op een maatschappelijke carrière.  Een diploma verschafte toegang tot de ingenieursopleiding in Delft.

 

 

 

 

 

 

 

Hier kan een fotobijschrift

Bureau wordt bedrijf

De onderneming van de twee vrienden bloeide en de drukte die deze groei met zich meebracht was zelfs merkbaar voor de Nijmeegse omwonenden: die zagen naar verluidt de ingenieurs voortdurend af en aan rijden met rijtuigjes, op weg naar de werken in de buurt.[1]

Hoewel ze personeelsleden hadden en er een georganiseerd kantoorleven ontstond, voerden Johan van Hasselt en Jacobus de Koning nog steeds een enorme hoeveelheid bureauwerk zelf uit.[2]  In de zesdaagse werkweken met 9-urige werkdagen schreven de mannen brieven, deden de financiële administratie en overlegden met opdrachtgevers en aannemers. Maar boven alles bleven ze ontwerpen en (sterkte)berekeningen maken. Twee bewaard gebleven overzichtsboeken illustreren prachtig hoe ze als bureau tot hun onafhankelijke adviezen kwamen.

Eén boek bevat een enorme verzameling van materialen en onderdelen met afmetingen en actuele kostprijzen. Het tweede, ook handgeschreven, boek staat vol met de nieuwste voorbeelden van oplossingen uit de internationale ingenieurspraktijk. Van A tot Z geordend passeren onder meer bruggen (in tientallen varianten), lijkverbranding, het Panamakanaal en verf de revue; ieder stuk voorzien van een eigen bespreking of conclusie. Niet alleen geven de boeken een indruk van de manier waarop het bedrijf zijn kennis over zo goed als alle ontwikkelingen in het vakgebied voortdurend op peil hield en verdiepte,[3] ze laten vooral zien hoe doordacht en systematisch Van Hasselt en De Koning ook hun allergrootste werk aanpakten: hun eigen onafhankelijke ingenieursbureau!

 

Styling:

H1 Voorbeeld tekst

H2 Voorbeeld tekst

H3 Voorbeeld tekst

H4 Voorbeeld tekst

 
Download dit verhaal als PDF