De Omgevingswet komt er aan. Overheden bereiden zich inmiddels serieus voor op de komst van de wet. Wat mij opvalt, is dat de grondhouding ten opzichte van de Omgevingswet positief is. Natuurlijk zijn er veel vragen, we weten immers nog niet alles. En natuurlijk ziet men risico’s. Is het allemaal haalbaar? En zijn we wel op tijd klaar? Maar ik proef vooral, om het wat populair te zeggen, dat men er wel ‘zin’ in heeft. Historisch gezien is dat geen gegeven bij de invoering van een nieuwe wet. In de bijeenkomsten die ik vanuit het het Strategie en Management Consultancy team in het kader van de diverse impactanalyses heb georganiseerd, zie ik veel betrokkenheid, grote nieuwsgierigheid, veel uitwisseling en een onderzoekende houding. Waarin zit hem die positieve grondhouding? En, belangrijker nog, hoe houden we die de komende jaren vast?

Omgevingswet | Royal HaskoningDHV

Ik zie een aantal ‘verklaringen’ voor die positieve grondhouding. Allereerst is dat het mantra van de Omgevingswet: van 26 wetten naar 1, van 5000 wetsartikelen naar 350, van 120 ministeriële regelingen naar 10, en van 120 algemene maatregelen naar 4. Dat klinkt én is indrukwekkend, hoewel ik met de duimstok langs wet, AMvB’s en Invoeringswet nog tot een aanzienlijk aantal centimeters kom. Meer indrukwekkend is de betekenis van deze operatie voor burgers en bedrijven. Het gaat dan om zaken als één omgevingsvisie, één omgevingsplan, één loket, één aanvraag en één beslissing. Een wenkend perspectief dat een serieus antwoord geeft op het al decennia lang uitdijend stelsel van wetten, regels en plannen in de fysieke leefomgeving. Het moet voor alle overheden toch een genoegen zijn om daar een concrete bijdrage aan te leveren.

Naast de instrumentele kant van de wet, is er de geest van de wet als wenkend perspectief. Met ook hier een mantra: opgave centraal, klant centraal, integraal, gebiedsgericht en digitaal. Dit mantra doet een appel op de rol van de overheid, de houding die daarbij past en de vaardigheden die daarvoor nodig zijn. Het aantrekkelijke is dat de geest van de Omgevingswet naadloos aansluit bij cultuur- en veranderprocessen die bij veel overheden ingezet zijn. Dit vertaalt zich bij veel overheden bijvoorbeeld in de beweging naar meer opgavegericht, projectmatig, gebiedsgericht, programmatisch en integraal werken. En de daarbij passende nieuwe organisatievormen. De Omgevingswet biedt nu de gelegenheid om deze complexe en gestage veranderprocessen concreet handen en voeten te geven.

Voor iedereen een uitdaging

Een laatste wenkend perspectief is dat de Omgevingswet voor iedereen een opgave, en daarmee een uitdaging in zich heeft. Of, anders gezegd, de Omgevingswet heeft voor ieder wat wils. De bestuurlijke uitdaging gaat over ‘loslaten in vertrouwen’ en ‘het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte’. Een ogenschijnlijke contradictio in terminis, die in de praktijk vraagt om een goede bestuurlijke balans. Het ‘loslaten’ gaat over het ruimte geven aan en mogelijk maken van initiatief. Hoe kun en wil je dat ‘aan de voorkant’ bestuurlijk faciliteren in je beleid (visie, plan, programma, verordening) en wat betekent dat ‘aan de achterkant’ voor je bestuurlijke rol in de besluitvorming? Het ‘vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte’ gaat over de mogelijkheid die de Omgevingswet biedt te komen tot maatwerk en couleur locale. Denk bijvoorbeeld aan het werken met omgevingswaarden en het gebruik van maatwerkregels. 

Omgevingswet | Royal HaskoningDHV

Ook de uitdaging voor het management is tweeledig. Allereerst het organiseren van de integraliteit, van beleidsniveau tot het niveau van de werkprocessen, intern in de eigen organisatie en in de relatie met de ketenpartners. En ten tweede het faciliteren van de genoemde cultuuraspecten in relatie tot rol, houding en vaardigheden van de medewerkers. Bij dit laatste ligt tenslotte de grote uitdaging voor de medewerkers die de Omgevingswet, samen met hun omgeving, concreet in de praktijk gaan brengen. Een spannende opgave, met ook een aantal spannende dilemma’s. Want: het moet allemaal samen en integraal, en dat willen we natuurlijk ook. Maar het moet ook sneller. Gaat dat samen? En: het moet allemaal eenvoudiger, maar sluit dat wel aan bij een maatschappij waarin juist alles complexer wordt? Of: minder regels: mooi, maar hoe zit het met de echt kwetsbare waarden?

Must do’s

Met een positieve grondhouding als basis is het, nu de implementatie echt handen en voeten gaat krijgen, zaak om die houding vast te houden. Vanuit de ervaringen uit de impactanalyses zie ik de volgende must do’s:

  • Betrek politiek en bestuur bij de Omgevingswet. Zorg voor helderheid in de bestuurlijke ambitie, die nodig is om concreet richting te geven aan het implementatietraject;
  • De Omgevingswet raakt een groot deel van het ambtelijk apparaat. Versterk en verbreed ambtelijke betrokkenheid zo snel mogelijk. Doe dat niet alleen via het spoor van informatie (kennis) en training (vaardigheden), maar betrek ze bij de ontwikkeling van beleid, plannen en werkprocessen (learning by doing). Ga niet droog zwemmen, maar onderzoek de hier boven geschetste dilemma’s. Leer in de praktijk, ook in de interactie met burgers en bedrijven;
  • Kom uit je schulp. Samenwerking en afspraken met de ketenpartners (provincie, gemeenten, waterschappen, omgevingsdiensten) worden cruciaal onder de Omgevingswet. Ga met hen in gesprek: hoe zien zij de samenwerking, welke vragen en onzekerheden hebben zij, en hoe kun je gezamenlijk de samenwerking gestalte kunt geven (ook hier: learning by doing)?;
  • Leer van elkaar. Alle overheden staan voor dezelfde opgave, veel is nog onduidelijk, het wiel is nog niet uitgevonden. Zoek elkaar op, wissel uit, en leer van elkaar.

Graag ga ik met u in gesprek over dit onderwerp. Neemt u gerust vrijblijvend contact met mij op.