Wat trof Reep VerLoren van Themaat (1882-1982) aan toen hij in 1918 compagnon werd bij Ingenieurs- en architectenbureau voorheen J. van Hasselt en De Koning? In een terugblik schreef hij: “Verder was het bureau nog zeer primitief: de brieven werden eigenhandig geschreven en gecopieerd, ook de boekhouding deden wij zelf. Daarin is zeer spoedig verandering gebracht, wat een grote verbetering bracht.”[1]

Die grote verbetering betrof allereerst de aanschaf van een typemachine en, kort daarna, het in dienst nemen van een typiste: mejuffrouw Groen.[2] Een jaar eerder, in 1917, hadden de ingenieurs van het toenmalige bureau Dwars, Groothoff en Verhey in Den Haag hún eerste typiste in dienst genomen: mejuffrouw de Graaf.[3]

Typiste en stenografiste (‘snel schrijfster’) Sophie Beijer (1901) op kantoor van Dwars, Groothoff en Verhey, ca. 1920. Haar voorgangster De Graaf was maar kort in dienst geweest. (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Met de aanschaf van typemachines, een Amerikaanse vinding, kwam ook in Nederland het bijbehorende vak ‘typewriting’ in opmars. De innovatie zorgde voor een kleine revolutie in de – toen uiterst beperkte – beroepsmogelijkheden van vrouwen.[4] Machineschrijven werd in Nederland en daarbuiten al vlug als een bij uitstek voor vrouwen geschikt vak gezien.[5] Dat wil zeggen: voor jonge, ongehuwde vrouwen, want getrouwde vrouwen werden niet geacht te werken.[6]

Echter, de helft van de Nederlandse vrouwen boven de 15 jaar werd gedurende de eerste helft van de 20e eeuw niet door een echtgenoot onderhouden. Deze grote groep had een betaalde baan nodig, bijvoorbeeld op een net kantoor. Mejuffrouw Groen, mejuffrouw de Graaf en de typistes die hen opvolgden, behoorden tot deze categorie.

‘Komende en gaande stroomen papier’[7]

“Als laatste wil ik noemen Mej. v. Putten. Allen zijn wij min of meer technisch. Mej. v. Putten is helemaal niet technisch. In den loop der jaren heeft zij veel routine gekregen en zich veel technische ervaring eigen gemaakt. Wat zij altijd alleen aan werk heeft verzet, is werkelijk enorm.”, sprak ir. Jan Pieter Heederik, de jongste directeur van DHV in 1942 tot het aanwezige feestgezelschap tijdens de viering van het 25-jarig bestaan.[8]

Groepsportret vanwege het 25-jarig jubileum van DHV, 2 januari 1942. In het feestgezelschap op tweede rij, derde van links: Gerardina van Putten. Zelfde rij, vijfde van links, Elisabeth Bregman. Op de voorste rij directeuren en oprichters met hun echtgenotes. Derde van rechts: Jan Pieter Heederik. Tussen de bloemstukken: Bastiaan Verhey. (bron: Bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Gerardina van Putten (1907-1962) was de dochter van een glazenwasser uit Amersfoort. Vanaf haar 21ste werkte ze als typiste bij het bureau. In 1942 beschreef ze hoe zij haar werk had zien veranderen en drukker zien worden. Eerst bestond het vooral uit “het typen van brieven en een enkel rapport of een afrekening van tijd tot tijd. De groote rapporten werden, evenals alle bestekken, steeds gedrukt en kwamen dus geheel voor verzending gereed op de typekamer binnen. […] In de loop van de jaren nam het aantal werken echter steeds toe en hiermede hield de hoeveelheid typewerk gelijken tred. De cyclostyle deed zijn intrede in de typekamer. […] Eenerzijds verlichtte de cyclostyle het werk […] maar anderzijds gaf toch het stencillen van alle bestekken een geweldige werkvermeerdering.”[9]


De cyclostyle of stencilmachine kon kopieën maken van getypte teksten of (lijn)tekeningen. Een voorloper van de latere fotokopieermachine en tot in de jaren zeventig in gebruik. (bron: Collectie IISG Amsterdam ST-G-1/A. Foto Amsterdam Museum)

Het werk nam verder toe en er werd "een tweede juffrouw” aangesteld, Elisabeth Bregman. Die vatte haar eerste werkperiode zo samen: ”Een half jaar correspondentie opbergen en een half jaar tikken van brieven, rapporten, ellenlange bestekken, geschreven in allerlei mogelijke en onmogelijke handschriften, tikken van stenogrammen opgenomen in vliegende haast en wat al niet meer.”[10]

Dien van Putten bleef tot haar plotselinge dood in 1962 bij het bureau werken. Ze werd de directiesecretaresse van Jan Pieter Heederik en leidde ‘secretariaat A’; het belangrijkste secretariaat van DHV met de meeste (5) typistes.[11]

Links: Gerardina (Dien) van Putten, rechts: Elisabeth Bregman in 1942. (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Emancipatiegolf

In de jaren vijftig werkten Nederlandse vrouwen gemiddeld 70 uur per week in het huishouden.[12] Ze waren ‘het stootkussen van de wederopbouw’, onmisbaar in naoorlogs Nederland en alom gewaardeerd.[13] Totdat feministe Joke Kool-Smit in 1967 haar aanklacht tegen het huisvrouwenbestaan publiceerde: Het onbehagen bij de vrouw. Dit stuk raakte een gevoelige snaar en luidde de hevige tweede feministische golf in die tussen 1967 en 1981 over Nederland spoelde. De inzet: recht op betaald werk, kinderopvang en een eerlijker verdeling van zorgtaken.[14]

Traditionele zekerheden en oude rolpatronen verschoven. Jonge vrouwen, hoger opgeleid dan ooit tevoren, wilden liever betaald werk dan een huisvrouwenbestaan.[15] Damesbladen spoorden hun lezeressen aan in verzet te komen: “Toon uw onvrede, uw opstandigheid, uw gevoel van gevangen zijn. Krop het niet op.”[16]

Haskoning kantine in Nijmegen, 1971. Tot midden jaren tachtig werkten vrouwen in het bedrijf voornamelijk als typiste, secretaresse of koffiejuffrouw. (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Ook op de werkvloer van de beide ingenieursbureaus lieten vrouwen van zich horen. Zo was een editie in 1985 van het personeelsblad van het toenmalige Haskoning gewijd aan de zogenaamde ‘Centrale Diensten’. Deze behoorden tot het niet-productieve deel van het ‘bureau-gebeuren’, het productieve deel werd gevormd door ‘techneuten’.[17] 
De laatste groep werd streng toegesproken door de redactie: “U zult erachter komen wat voor inspanning het kost om u de noodzakelijke ‘ondersteunende en dienstverlenende activiteiten’ aan te reiken, zonder welke er geen project van uw tekentafel zou komen.” En verderop: “In dit nummer kunt u lezen hoe conservatief u bent, hoe in wezen onvrouwvriendelijk, hoe slecht u in organiseren bent en hoe slordig en eigenwijs u soms te werk gaat.”[18] Vier geïnterviewde secretaresses waren eensgezind in hun oordeel: Haskoning was “een conservatief bureau met een vaak duidelijk voelbare afstand tussen mannen en vrouwen. […] het merendeel van de mannen meent het toch beter te weten.”[19]

Behalve de toon veranderde ook de getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen binnen de ingenieursbureaus.[20] Bedroeg het totaal aandeel vrouwen in 1942 nog 5%, in 1985 was dit gestegen naar 14% van alle werknemers.[21]

“Dit type is nog betrekkelijk zeldzaam”[22]

In 1928 begon mejuffrouw ir. W. van Santen als civiel ingenieur bij DHV. Ze was toen net afgestudeerd in Delft. Hoelang ze is gebleven en aan welke projecten ze heeft gewerkt is niet bekend.[23] Ze lijkt een curiosum, want zelfs vijftig jaar later waren vrouwelijke ingenieurs bij de bureaus uitzonderingen.
De reden dat ze in dienst kwam, hangt vermoedelijk samen met het huwelijk van haar baas, Bastiaan Verhey. Deze was in 1910 getrouwd met de net afgestudeerde Jo Rombach, een pionierende ingenieur scheikundige technologie.[24] Naar verluidt bracht zij als bruidsschat een microscoop en microscooppreparaten in. Toen Jo Verhey-Rombach eind jaren dertig een tijd lang rectrix was op het Montessori-lyceum in Amersfoort (én docent wiskunde en scheikunde) “stimuleerde haar man haar in die activiteiten en nam een deel van de zorg van het gezin op zich”.[25] 

Het is heel wel mogelijk dat de geëmancipeerde Bastiaan Verhey drijvende kracht is geweest bij het aannemen van mejuffrouw ir. W. van Santen. Zijn vertrek betekende in dit opzicht het einde van een kort progressief tijdperk: zijn opvolgers namen pas eind jaren zeventig weer vrouwelijke ingenieurs aan. Ze waren zeldzaamheden en daarom nieuwswaardig. 

Personeelsblad Overdwars van DHV interviewde deze jonge pas afgestudeerde vrouwen vlijtig en besteedde royaal aandacht aan hun vrouw-zijn: “Boukje Zwanenburg is een van de weinige vrouwelijke ingenieurs binnen DHV en ongetwijfeld ook binnen ‘het wereldje’. Dat wekt wel een verbazing en bewondering.” zo stond er geschreven in 1979.[26] Vijf vrouwelijke consultants van de divisie Internationale Projecten van Haskoning, schetsten in 1992 enkele voorvallen tijdens hun werk in het buitenland en concludeerden: “Het heeft tenslotte zowel kleine voor- als nadelen om vrouw te zijn in dit vak. Een voordeel is bijvoorbeeld dat je opvalt in de grijze massa van heren consultants, zonder er iets voor te hoeven doen. Op deze manier kom je soms makkelijker een organisatie binnen en neemt men meer tijd voor je omdat men nieuwsgierig is.”[27]

De ladder op 

De volgende fase in de emancipatie was het beklimmen van de ladder binnen de bureaus. Terwijl in de traditionele technische vakgebieden nog steeds vrijwel uitsluitend mannen werkten, waren de eerste vrouwelijke leidinggevenden vooral te vinden in jonge vakgebieden zoals milieu én in ondersteunende werkvelden zoals personeelszaken en public relations. Zo was jurist Hilde Jansen vanaf 1983 hoofd personeelszaken bij het toenmalige adviesbureau IWACO (International Water Consultants) in Rotterdam.[28] Bij DHV volgden eind jaren tachtig planoloog Elsbeth van Hijlckama Vlieg als director Urban Planning, en ecoloog Annemarie Goedmakers als Head of business team Nature and Landscape development.[29] 

Midden jaren negentig was het aandeel vrouwen bij de bureaus toegenomen tot 19%. De snelle expansie van het werkgebied milieu droeg bij aan deze stijging. Binnen dit nieuwe vakgebied was het aantal vrouwen vanaf het begin hoog geweest, vermoedelijk ook omdat hier nog geen gegroeide tradities van rolverdeling of hiërarchie bestonden.[30]

Annemarie Goedmakers in de jaren tachtig. (bron: Werry Crone, Collectie IISG Amsterdam BG B34/176)

 

De Engelse milieuwetenschapper Catriona Paterson (derde van rechts) als 26-jarige de projectleider van het Black Sea Coastal Environmental Management Project, het tot dan grootste internationale project van Posford Duvivier Environment (PDE). Geheel rechts: Julia Everard, collega milieuwetenschapper bij PDE. Georgië, 1995. (bron: archief Julia Everard)

Het aandeel vrouwen nam nog iets toe: aan het begin van het nieuwe millennium was 25% van de werknemers vrouw. In het ‘productieve’ deel bedroeg het aandeel nu 14%.[31] Weliswaar een stijging, maar tegelijkertijd illustreerde deze toename dat (Nederlandse) vrouwen vanaf 1945 nauwelijks hadden gekozen voor werk in sectoren waarin vooral mannen werkzaam zijn.[32]

Tijd om het roer wat drastischer om te gooien. Jan Bout (1946), toenmalig voorzitter van de Raad van Bestuur van Royal Haskoning, besloot om een vrouw te werven als nieuwe financieel directeur.[33] Bedrijfskundige en econoom Maartje Bouvy (1972) werd per 1 januari 2008 benoemd als Director Corporate Group Finance van het inmiddels ca. 4000 medewerkers tellende bureau. Het brancheblad Cobouw kopte dat Bouvy geen ‘excuus-Truus’ was – om duidelijk te maken dat haar vrouw-zijn niet de doorslag had gegeven bij haar benoeming.[34]

In hetzelfde jaar merkte een vrouw in het management van DHV op: “[..] op die internationale managementmeetings, daar lopen dan sowieso ook maar 3 of 4 vrouwen rond op 100 mannen. Maar je merkt toch dat die echt andere onderwerpen aankaarten die heel belangrijk zijn voor de bedrijfsvoering, die door mannen nog wel eens onderschat worden (…) alleen zitten die vrouwen niet altijd op die invloedrijke posities om die onderwerpen echt die impact mee te geven. En het zou goed zijn als daar verandering in komt.”[35]

Internationale Management Meeting DHV in Den Haag, 2010. Op de eerste rij van links naar rechts: Marga Donehoo (directeur Corporate Initiatives), Anke Mastenbroek (SSI COO (Operations)), Janette Horn (SSI Group Environmental manager), tweede rij: Mirjam Soeterbroek (directeur Communications) en op de derde rij: Marjolein Demmers (directeur Advies Groep Environment and Sustainability). (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Rolmodellen en mentorship

Anno 2021 is het aandeel vrouwen binnen Royal HaskoningDHV wereldwijd 28%, nog steeds conform de bij ‘techniek’ passende minderheid. Maar van alle vrouwen in het bedrijf werkt intussen een meerderheid van 61% in de business, naast 39% in ondersteunende functies.[36] 

Eindelijk zijn er ook binnen het bedrijf rolmodellen voor vrouwen. Zo werd Rika Prayudani Resident Controller in Indonesië, geïnspireerd en aangemoedigd door Jaska de Bakker – de eerste vrouwelijke CFO.[37] En ingenieur Esther Kromhout, die wereldwijd een reeks vliegvelden bouwde, werd directeur van de Business Unit Aviation. Een van de mensen die haar stimuleerden deze stap te zetten was collega Marije Hulshof, Global Business Line Director Industry and Buildings.[38]

Civiel ingenieur Sheilla de Carvalho wil bewust een voorbeeld zijn voor jonge vrouwelijke ingenieurs. Ze werkt als Director Business Unit (Industry & Smart Asset Management) in Zuid-Afrika en is Resident Director in Mozambique. Tot haar 10e droomde ze ervan astronaut te worden. Ze studeerde in Kaapstad en bleef werken op het Afrikaanse continent om als ingenieur een verschil te maken in het leven van mensen. Nu is ze binnen Royal HaskoningDHV een van de drie vrouwen in het topmanagement van Zuid-Afrika.


Werk in uitvoering bij de Palmar Residential Towers Site in Mozambique, april 2021. Team van links naar rechts: Karina Darsan (structural engineer en site manager); Taquidir Taquidir (civiel ingenieur en project manager); Scheila Tope (Human Resources); Sheilla de Carvalho (senior manager); Maura Sitoe (Health Safety & Environment officer). (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

“I do think that I bring – as a woman – some aspects that my counterparts have not. Our experiences of the world are different. I think I’ve been able to bring that to the role.”[39]

De Carvalho is, net als haar collega-managers, groot voorstander van ‘mentorship’. Op dat punt is er wezenlijks iets veranderd in het bureau: vrouwen worden, anders dan vroeger, volop ondersteund en aangemoedigd in hun professionele ontwikkeling. Variërend van de praktische training Female travel safety tot het brede programma Female leadership.

In meer dan een eeuw is het aandeel van vrouwen bij Royal HaskoningDHV toegenomen – naar bijna 30%. Sinds de jaren tachtig zetten ze duidelijk hun professionele stempel op het bedrijf. Reden voor optimisme én een aansporing om nog meer vaart te maken.

Door de jaren heen was het percentage vrouwen dat bij Royal Haskoning en DHV werkte vergelijkbaar en ook de ontwikkeling ervan hield gelijke tred. De reeks is opgebouwd uit de jaren waarvan gegevens bekend zijn (van een van beide bureaus of van Royal HaskoningDHV). (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

 

 

Over dit project

In oktober 2021 bestaat Royal HaskoningDHV 140 jaar. We vieren dat met de publicatie van een reeks gedenkwaardige verhalen over belangrijke momenten in de geschiedenis van onze organisatie. We zijn trots op deze verhalen en delen ze graag met een zo breed mogelijk publiek. Tussen januari en oktober 2021 publiceren we iedere maand een nieuw verhaal.