Na vijf jaar oorlog en bezetting lag Nederland in 1945 in puin. Bruggen en havens waren vernield, fabrieksinstallaties ontmanteld en landbouwgronden onder water gezet. Er was een groot tekort aan voedsel, steenkool, grondstoffen, kleding en woningen. Naast alle materiële schade en gebrek had de Tweede Wereldoorlog meer dan tweehonderdduizend Nederlanders het leven gekost. Wereldwijd kwamen tussen de 70 en de 85 miljoen mensen om.[1]

Een grote opgave: het kleine Nederland moest zo snel mogelijk ‘herrijzen’. Over de noodzaak van overheidsingrijpen in het economisch en maatschappelijk leven heerste een historisch gezien zeldzame eensgezindheid. De rijksoverheid werd de dirigent van het herstel, onder leiding van het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw[2]. Dankzij de wederopbouwgolf dijden de vooroorlogse bureaus, waaronder Ingenieurs- en architectenbureau voorheen J. van Hasselt en De Koning[3] en DHV, flink uit. Daarnaast schoten nieuwe bureaus als paddenstoelen uit de grond.[4] Een naoorlogse renaissance was begonnen. 

Plan voor coöperatie

Met eenzelfde drang tot herrijzen en herstel bedachten vier heren[5] in 1945 het plan om een samenwerkingsverband van ingenieursbureaus te beginnen, om zo in het buitenland opdrachten binnen te kunnen halen, vooral op het gebied van Nederlandse waterbouwkundige expertise. De timing van hun idee hing niet toevallig samen met het begin van de dekolonisatie van Indonesië.[6] Eeuwenlang had dit land honderden ingenieurs werk verschaft. Maar de Nederlandse ingenieur was in Indonesië steeds minder welkom en keerde – zonder werk – terug naar Nederland. Het was daarom zaak nieuwe markten te vinden voor alle (civiele én landbouwkundige) ingenieurs met ‘buitenlandervaring’. En het liefst vóórdat deze experts emigreerden, want dat zou een economisch verlies betekenen. 

Beeldstatistiek met de 17 Europese landen die Marshallhulp ontvingen
Beeldstatistiek met de 17 Europese landen die Marshallhulp ontvingen. Met effecten op landbouw, industrie en buitenlandse handel in de periode 1948-1950. (bron: Marshall Foundation) 

In Western Europe, despite their remarkable recovery effort to date, the Marshall Plan countries are still far from reaching their maximum potential of productivity

Van grote invloed op het verdere verloop van dit samenwerkingsplan was de Amerikaanse Marshallhulp aan het verwoeste West-Europa, in het bijzonder het daarbinnen vallende programma dat technical assistance was gedoopt. Deze technical assistance was erop gericht landen te helpen hun economische productiviteit op te voeren. Feitelijk was assistance een vorm van kennisuitwisseling. Door het aanbieden van studiereizen naar Amerika en door bezoeken van Amerikaanse experts aan Europa werd de Amerikaanse ‘knowhow’ op het gebied van productiviteit verspreid. Daarnaast werd – nog belangrijker – doelbewust gewerkt aan een pro-Amerikaans gevoel in West-Europa.[7]

De studiereizen naar het op dat moment rijkste land ter wereld inspireerden om het Amerikaanse voorbeeld in de eigen praktijk te brengen. Onder hen Jan Pieter Heederik, partner van ingenieursbureau DHV. Een groepsreis naar onder meer New York, Chicago en Philadelphia was voor hem de kennismaking met nieuwe productieve – Amerikaanse – manieren van bouwen.[8] 

Economische wederopbouw moest in Nederland gerealiseerd worden met groeiende industrie en groeiende export. De vier ingenieurs uit Den Haag en Rotterdam, die sinds 1945 plannen maakten over samenwerking om buitenlandse opdrachten te verwerven, sloten hierop aan. Hun redenering was: voordat op grote schaal producten geëxporteerd konden worden, moesten wellicht eerst experts, ingenieurs, naar het buitenland gaan om in andere landen technical assistance te leveren, die als vanzelf zou leiden tot stijging van de vraag naar Nederlandse waar.[9] Dat was de betoogtrant die meehielp om hun idee van een coöperatie om te zetten in een heuse organisatie. 

“In Western Europe, despite their remarkable recovery effort to date, the Marshall Plan countries are still far from reaching their maximum potential of productivity” zo is te lezen in een Amerikaanse folder over nut en noodzaak van technical assistance. Uitgave Economic Cooperation Administration, 1951.

Nedeco start

In 1951 werd stichting Nedeco (Netherlands Engineering Consultants - Nederlands Adviesbureau voor Ingenieurswerken in het buitenland) opgericht, met volledige steun van de regering. Het bureau was een soort makelaarskantoor in ingenieursopdrachten met een kleine eigen technische staf – en veel ingenieurs in het bestuur en de Raad van Advies. 

De opzet ervan was zo dat het “onderzoeks-, opname- en ontwerpwerk in de regel […] wordt verricht door reeds bestaande Nederlandse ingenieurs-bureaux en ten dele door individuele deskundigen in dienst van de overheid of van particuliere ondernemingen, zodat van een groot gedeelte van het ‘technisch kunnen’ van geheel Nederland kan worden geprofiteerd”.[10] Men wilde zich vooral richten op ingewikkelde en grote vraagstukken, variërend van het aanleggen, verbeteren of reguleren van havens, rivieren en riviermonden en kanalen tot landaanwinning, inpoldering, ontwatering, irrigatie, wegenbouw, riolering, stedenbouw en kartering.[11]

Maar liefst 28 verschillende organisaties bundelden hun krachten in Nedeco. Onder hen: ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey, Ingenieurs- en architectenbureau voorheen J. van Hasselt en De Koning, Tebodin, Witteveen + Bos en Fugro. Daarnaast participeerden verschillende industriële bedrijven, aannemers en een paar banken.[12] De gezamenlijke paraplu zou volgens de deelnemers helpen om de risico’s te beperken bij de uitvoering van buitenlandse projecten. Bijkomend voordeel was het effect van Nederlandse regeringssteun: rijksambtenaren (onder andere van Rijkswaterstaat) mochten meewerken aan adviesopdrachten en verschillende ministeries waren vertegenwoordigd in de Commissie van Advies.[13] Het idee was om Nederland “als één groot raadgevend ingenieursbureau te laten optreden”.[14]

De directie van de nieuwe stichting was in handen van de strenge ir. E.W.H. Clason (1903-1970) en de sprankelende ir. B.D.H. Tellegen (1897-1963). Ze hadden allebei ruime ervaring met ingenieurswerk in het buitenland.[15] In het dagelijks bestuur zat ook ir. Reep VerLoren van Themaat (1882-1982), compagnon van Ingenieurs- en architectenbureau voorheen J. van Hasselt en De Koning.[16]

 
Links: Ir. Reep VerLoren van Themaat (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV) 
Rechts: B.D.H. Tellegen (in midden) presenteert Bandar Abbas plannen aan de Shah van Perzië (Iran) in 1959. (Bron: Nedeco archieven)

Groot nieuws: opdracht Syrië

Over de eerste grote buitenlandse opdracht die de Nederlandse bureaus via Nedeco verwierven werd uitvoerig bericht. Voor het droogleggen, bevloeien en in cultuur brengen van het moerasgebied van 60.000 hectare in de Syrische Al Ghab-vallei zouden Nederlandse deskundigen een rapport uitbrengen.[17]

Het binnenhalen van 12 maanden manwerk voor een dozijn deskundigen had 5 maanden onderhandelen gekost. Maar – en dat was een grote triomf – Nedeco had respectievelijk 53 internationale inschrijvers in de eerste en 6 concurrenten in de tweede ronde achter zich gelaten. 

De onderhandelaars waren ir. J.P. Heederik van ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey en F.H. Waringa van de Nederlandse Heidemaatschappij. Zij waren in 1951 samen naar Syrië gevlogen en hadden met hulp van de Nederlandse gezant in Syrië de contractuele basis gelegd voor het rapport en het miljoenenwerk dat in de daaropvolgende jaren zou worden uitgevoerd in opdracht van de Syrische regering onder leiding van president Fawzi Selu. 

Om het waterstaatkundige en cultuurtechnische werk in het verre land concreet te maken voor Nederlandse krantenlezers, vergeleken journalisten het met de ontginning van de Noordoostpolder en de Wieringermeer. Het Syrische project bood niet alleen royale kansen op vervolgopdrachten, maar was ook een perfecte demonstratie van wat op dat moment gold als typisch Nederlandse technische expertise. 


Links: Nedeco delegatie vlak voor vertrek naar Syrië in een Flying Dutchman van KLM, 1953. (bron: Nedeco archieven)
Rechts: Irrigitatiekanaal in Al Ghab-vallei, z.j. (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Succesformule

De formule sloeg aan in een wereld waarin veel ‘jonge landen’[18] aan de start van hun economische ontwikkeling stonden. Deze naties hoefden nu geen keuze te maken uit allerlei bureaus; kennis van de naam ‘Nedeco’ volstond. Bovendien bespaarde het centrale bureau de individuele bureaus veel administratieve rompslomp – vrij verkeer van personen en deviezen vereiste in die jaren nog wederzijdse regeringssteun. 

De bureaus kregen via Nedeco opdracht na opdracht en trokken speciaal voor al het nieuwe werk mensen aan: in eerste instantie ingenieurs met werkervaring in Indonesië.[19]

Vliegen en voorbereiden

Het meeste ontwerpwerk en rapporten schrijven gebeurde gewoon in Nederland. Alleen de werkvoorbereiding werd in het buitenland gedaan: de situatie inventariseren en de noodzakelijke meetgegevens bemachtigen. Goed vergelijkbaar met de aanpak van De Koning in 1889 in Egypte! De opkomst van de luchtvaart had het werken voor de reizende ingenieurs enorm versneld en, in de productiviteitsterminologie van die tijd, efficiënter gemaakt. 

Het voorbereidende onderzoekswerk begon ook dikwijls vanuit vliegtuigen: de onontgonnen gebieden in kaart brengen met hulp van door KLM beschikbaar gestelde Dakota’s die luchtopnamen maakten. Dagboeken uit de jaren vijftig doen uitvoerig verslag van de vele tussenstappen die nodig waren om contracten rond te krijgen, lokale bankrekeningen te openen en de meegestuurde bagage daadwerkelijk te ontvangen. Maar vooral de jacht op betrouwbare meetgegevens en de soms moeizame samenwerking met verschillende buitenlandse opdrachtgevers en experts bleek een flinke opgave.

“Merkwaardig dat ze steeds beginnen met allerlei critiek op de plannen, maar na een tijdje praten doen ze om zo te zeggen mee en zijn zeer bereidwillig”, schreef ir. R. Tutein Nolthenius (1921-2002)[20] in 1954 in zijn dagboek van het bezoek aan Calcutta. Om zich enkele regels later een stuk minder diplomatiek te uiten over een meneer die “kennelijk exec. eng. watersupply” was: “Onbegrijpelijk dat er hygiënisch water uit deze mijnheer met baard moet komen.”[21]


Meetploeg van Ingenieursbureau voorheen J. van Hasselt & De Koning, bij Hastings in India, begin 1954 (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)


Straatbeeld bij Writer’s Building in Calcutta, de plek waar de ingenieurs veel formaliteiten moesten afhandelen in 1954. Calcutta (vanaf 2001: Kolkata) was op dat moment in omvang de derde stad van de wereld. Er woonden 7 miljoen mensen. (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Veranderende tijden

Een kleine 10 jaar na die pioniersstappen lag er een indrukwekkende en gevarieerde lijst met vooral civieltechnische en ‘tropical engineering’ projecten uitgevoerd onder auspiciën van Nedeco: van havenprojecten tot landaanwinning, irrigatie en afwatering, rivieronderzoeken, wegenaanleg, bruggen en spoorwegen. 

Voor de doorrekening van economische aspecten was Nedeco een samenwerking aangegaan met het Nederlands Economisch Instituut (NEI).[22] In 1958 werkte alleen Ingenieursbureau J. van Hasselt en De Koning al aan 15 buitenlandse werken, verdeeld over 8 landen.[23] In 1984 waren deze getallen opgelopen tot 112 projecten (van in totaal 426 door Nedeco uitgevoerde projecten) in 33 landen. Soms in samenwerking, soms als enig verantwoordelijke. Dit principe gold voor alle participerende bureaus, maar de twee grootste bedrijven, DHV en Haskoning (b)leken de grootste aantallen projecten uit te voeren. Een eindtelling van Nedeco-projectdossiers tot 1983 levert een totaal van 538 uitgevoerde buitenlandse projecten voor DHV en 702 voor Haskoning – én de opmerking dat de archieven niet compleet zijn; het werkelijk aantal uitgevoerde projecten was dus hoger.[24] 

Project voor restauratie van Borobudur waar DHV binnen Nedeco aan werkte, ca 1972. (bron: Nedeco archief)

Kano River project in Nigeria, ca 1970, een project van Haskoning binnen Nedeco. (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Door alle opgedane ervaring veranderde de manier waarop ingenieurs buitenlandse opdrachtgevers benaderden. Minder koloniaal, maar nog sterk technocratisch. Het heersende beeld dat ‘de ingenieur’ van de wereld had, was duidelijk leesbaar in een fictieve herinnering, opgetekend ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van DHV in 1967. Bij een openingsplechtigheid in een niet nader omschreven Aziatisch land luistert de ingenieur in het verhaal naar een politicus die het werk, een brug, vooral ziet als middel om zijn eigen politieke doelen te bereiken. De ingenieur ergert zich en overpeinst: “Man, […] praat nu eens over het werk dat hier is verricht. Wees nu eens dankbaar, dat je hulp hebt gekregen om een groot gebied goed bewoonbaar te maken. […] Wij hebben hier een toekomst voor je geschapen. Jullie kunnen met dit nieuwe land iets doen. Er ligt beter werk te wachten dan oorlog voeren.”[25]  Bijna twintig jaar later stelde Haskoning-informatief (informatieblad voor en door medewerkers) met nadruk “het probleem van de westerse (typisch hollandse?) techneut, die zo moeilijk uit de voeten schijnt te kunnen met andere culturen” aan de orde, en riep medewerkers op tot inkeer en zelfonderzoek.[26]

Wat ook veranderde was de houding van de bureaus ten opzichte van hun eigen paraplu Nedeco. Het tot 1970 bijzonder succesvolle – en kartelachtige – vehikel kwam na een paar schokbewegingen tot stilstand;[27] de nieuwe politieke wind in de jaren negentig van de 20e eeuw bracht een duidelijke afkeer van dit soort organisaties met zich mee. De oorspronkelijke stichting hield in 1990 op te bestaan[28] en de betrokken bureaus gingen op eigen kracht – en concurrerend met elkaar - de markt op.

Schat aan wereldervaring

Tijdens de fase van stapsgewijze afbrokkeling van Nedeco bloeiden de afzonderlijke bureaus juist verder op, en nam de grootschaligheid van ingenieursprojecten alleen maar toe. Opgebouwde samenwerkingen tussen lokale experts en bureaus groeiden en globaliseerden gestaag mee. De jarenlange export van hun intellect was begonnen onder de vleugels van Nedeco en had de bureaus een schat aan ervaring en kennis opgeleverd. Steeds meer begonnen zowel Haskoning als DHV onder eigen vlag uit te breiden in het buitenland. Ze openden (onder meer) in Lagos, Jakarta en Delhi eigen regiokantoren – de ‘multinational’ was geboren en had geen Nederlandse paraplu meer nodig. 

  Jaaragenda 1962 van Nedeco-directeur ir. B.D.H. Tellegen in de hoogtijdagen van de wereldwijde expansie van Nederlandse technische kennis. Tel de vlaggen! (bron: Archief Tellegen) 
 

 

Over dit project

In oktober 2021 bestaat Royal HaskoningDHV 140 jaar. We vieren dat met de publicatie van een reeks gedenkwaardige verhalen over belangrijke momenten in de geschiedenis van onze organisatie. We zijn trots op deze verhalen en delen ze graag met een zo breed mogelijk publiek. Tussen januari en oktober 2021 publiceren we iedere maand een nieuw verhaal.