Royal HaskoningDHV kreeg er in 1994 een Engelse pijler bij. In dat jaar nam het toenmalige Royal Haskoning het Engelse ingenieursbureau Posford Duvivier over. De havenexpertise van de Britten betekende voor de Nederlanders een belangrijke versterking.

10 jaar eerder, in 1984, werd in Peterborough het 40-jarig bestaan van ingenieursbureau Posford, Pavry & Partners gevierd. Het bureau, opgericht door ingenieur Guy Anson Maunsell (1884-1961) en John Albert Posford (1914-1996), had in het naoorlogse Engeland in verschillende samenstellingen[1] gewerkt aan vele en gevarieerde projecten. Bijvoorbeeld de fikse bouwopgaven voor de Ford autofabrieken in Dagenham vanaf 1953. Dat paste in de tijd waarin auto’s en autobezit golden als dé moderne verworvenheden en tekenen van welvaart. Naast hun binnenlandse projecten werkten de Engelse ingenieurs vrijwel voortdurend aan internationale opdrachten. 


Opvallende constante vanaf 1944 waren civieltechnische opdrachten voor havens, dokken en kusten. Logisch, gezien de herkomst en de voorkeuren van oprichters Maunsell en de veel jongere Posford: beiden waren hun loopbaan begonnen als ‘trainee’ bij de vermaarde Schotse civiel ingenieur Sir Alexander Gibb (1872-1958) en traden als vanzelf in diens voetspoor.


Guy Maunsell in 1961	       	     John Posford [no date] Source: Company archives Royal HaskoningDHV Source: www.gracesguide.co.uk
Links: Guy Maunsell in 1961 (bron: www.gracesguide.co.uk)
Rechts: John Posford [zonder datum]  (bron: bedrijfsarchief Royal HaskoningDHV)

Gibb zelf had tijdens de Eerste Wereldoorlog gewerkt voor het Engelse leger, voordat hij in 1921 zijn raadgevend ingenieursbureau in Londen vestigde.[2] Aan het einde van die oorlog had hij een tamelijk wild idee ontwikkeld: ‘Mystery Towers’, een verdediging tegen onderzeeboten door de opstelling van een reeks drijvende forten in het Kanaal. Zijn oplossing vormde later de basis van een verdedigingsplan dat in de Tweede Wereldoorlog wél volledig werd uitgevoerd: de constructie van legerforten met luchtafweergeschut aan de oostkust van Engeland, in de mondingen van de Thames en de Mersey. Deze reïncarnatie van Gibb’s oorspronkelijke idee zou de geschiedenis in gaan als de Maunsell Forten, naar de bedenker Guy Maunsell. Van 1941 tot 1943 realiseerde hij deze Maunsell Forten, samen met de 30 jaar jongere John Posford en het bureau van Sir Alexander Gibb.

 

In 1944 startte Maunsell met Posford als junior partner zijn eigen bureau. Hun eerste werk was wederom een groot maritiem legerproject: ontwikkeling van een serie “concrete floating dry docks”.[3]

 

Het pad van Maunsell en zijn compagnon Posford leek sterk beïnvloed door hun leermeester, ook in een ander opzicht: internationale ambitie. Vanaf 1922 tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezocht Alexander Gibb 60 landen en legde meer dan 450.000 kilometers af, allemaal om zijn bureau te laten groeien.[4] Zijn ambitie en daarmee samenhangende reislust bleken besmettelijk, want Maunsell, Posford en de generaties ingenieurs die in hun voetsporen traden, reisden allemaal vrijwel onafgebroken de wereld rond. Ze sloten daarmee naadloos aan op de traditie van Engelse civiel ingenieurs. Het eiland dat eeuwenlang als ‘empire’ de wereld had veroverd bracht logischerwijs technici voort die hun kennis toepasten op een vitaal onderdeel van de Britse economie: de overzeese wereldhandel. Handel die tot de komst van de luchtvaart verliep via schepen en dus: havens.

Britain’s little big port[5]

Na de watersnood van 1953[6] vroeg graanhandelaar Gordon Parker aan ingenieur John Posford om de enorme schade te herstellen die zijn haven had opgelopen. Parker had het – toen piepkleine – haventje van Felixstowe aan de oostkust van Engeland vlak na de oorlog voor 50.000 pond gekocht; andere Engelse havens vond hij te duur om zijn goederen te verschepen.[7] Posford en Parker kenden elkaar: ze woonden allebei aan zee en waren buren.[8]

Luchtfoto van de groeiende haven van Felixstone in 1967 (bron: Keystone Press / Alamy Stock Photo)

15 jaar later was Felixstowe veranderd van een kleine onbeduidende haven in een van de snelst groeiende havens van Groot-Brittannië en een van de efficiëntste van Europa.[9] Dat kwam niet alleen door de vooruitziende blik van de bevlogen eigenaar en de goede werkverhoudingen in de haven[10], maar had ook alles te maken met succesvol doorgevoerde mechanisatie en slimme technische oplossingen. 

 

Het civieltechnische werk werd uitgevoerd door Posford, Pavry & Partners. De ingenieurs ontwierpen aan een stuk door havenuitbreidingen en begeleidden zelf de werkzaamheden. Zoals een aanlegsteiger voor olietankers in 1964, roll-on/roll-off platforms (de eerste verscheen in 1965) voor rollende goederenoverslag, en een reeks enorme containerterminals.[11]

Expansion at Felixstowe in 1980. In the foreground the cranes and container spaces are already in place, in the background dredging work and land reclamation are in operation. Source: Jesz Fleming

Uitbreidingen in Felixstowe in 1980. Op de voorgrond staan de kranen en vakken voor containers al klaar, op de achtergrond gaan baggeren en landaanwinnen door. (bron: archief Jesz Fleming)

Prime-Minister Margaret Thatcher | As a publicity stuntLinks: Premier Margaret Thatcher brengt op 11 maart 1983[12] een bezoek aan de haven van Felixstowe. Naast haar de toenmalige havendirecteur Geoffrey Parker, met bril (bron: archief Jesz Fleming)
Rechts: Bij wijze van publiciteitsstunt klimt Iron Lady Margaret Thatcher die dag zelf een trapje op. De verkiezingen kwamen eraan. (bron archief Jesz Fleming)

Het succes en de ervaring van Felixstowe legde het bureau geen windeieren. Hun expertise was nu in feite een ideaal exportproduct. Werken aan havens en kusten groeide van lieverlee uit tot het specialisme van het bedrijf. De fusie met het gerenommeerde en in kustwerken gespecialiseerde bureau Lewis and Duvivier[13] onderstreepte dit. Onder de nieuwe naam Posford Duvivier richtten de 360 ingenieurs en 12 partners[14] zich onder leiding van Alastair Stirling vanaf 1987 op kusten en havens over de hele wereld.

Groene wortels

In de reeks expansies van de haven van Felixstowe valt één uitbreiding bijzonder op: de aanleg in 1990 van een 100 ha groot natuurgebied, inclusief de aanplant van een half miljoen bomen. Felixstowe werd – en daarin was de haven een uitzondering – plotsklaps omgeven door beschermd natuurgebied[15]; het resultaat én het gezicht van een ruim 20 jaar eerder op gang gekomen verandering in het denken over technologie. 

 

Al in de jaren zestig waren op het podium van invloedrijke denkers andere mensen gaan staan: onheilsprofeten.[16] Ze roeiden tegen de stroom in van het modernistische vooruitgangsgeloof dat sinds de jaren vijftig het denken over technologie en consumptie in de westerse wereld bepaalde. De voorspellers keken naar de schadelijke effecten van massaconsumptie en waarschuwden voor de vernietiging van het milieu en de uitputting van de reserves van de aarde.

 

Enkele jaren later, in 1972, verscheen het rapport Grenzen aan de groei (The Limits to Growth), geschreven door de Club van Rome. Hun voorspellingen hadden grote invloed en domineerden de publieke meningsvorming. De schrikwekkende inhoud van het rapport zette zowel maatschappijkritische groepen als overheden en industrie aan tot beweging en wetgeving.[17] Aansluitend op deze veranderingen groeide het jonge universitaire vakgebied ‘milieuwetenschappen’ uit zijn activistische jasje. Het hield zich niet meer alleen bezig met milieuvraagstukken analyseren, maar hielp ook het oplossen ervan. Een logische eis, gezien de groeiende milieuregels en -wetgeving.

Pionieren met milieu

Een van de eerste studenten milieuwetenschappen was Jan Brooke (1962). Opgeleid als bodem- en wateringenieur begon Brooke in 1985 haar loopbaan als onderzoeker. Enkele jaren later werd zij door Ian Stickland, toenmalig directeur van de kustdivisie van Posford Pavry & Partners, gevraagd om binnen het bedrijf een milieuafdeling op te zetten. Stickland was samen met Dick Thomas een van de vroege pleitbezorgers van het in huis halen van wetenschappelijke milieuexpertise. Specialistische kennis was broodnodig voor het uitvoeren van onderzoeken; de ingenieurs konden dat niet eenvoudig ‘erbij’ doen, vonden ze.[18]

Alastair Stirling omstreeks 1990 -  Ian Stickland omstreeks 1990 (bron: Royal HaskoningDHV bedrijfsarchief) -
Jan Brooke,1989 (bron: archief Jan Brooke)
 

1972 tot 1989: de incubatietijd tussen het verschijnen van het rapport van De Club van Rome en het starten van bedrijfsactiviteiten op het gebied van milieu lijkt enorm. Maar het gaat hier in feite om een variant van de productiviteitsparadox: pas als een nieuwe technologie (in dit geval milieuwetenschap) voldoende economische voordelen biedt, wordt deze breed toegepast. Posford Duvivier volgde dus gewoon de markt. En de markt had in Europa, door de wetgeving op milieugebied, behoefte aan milieuadvies.

 

Om aan te sluiten op marktonwikkelingen had het bureau ook een gespecialiseerd bureau kunnen overnemen of expertise in kunnen kopen. Maar Stickland en Stirling kozen voor het aantrekken van echte milieuwetenschappers, die net als hun ingenieurs de beste moesten zijn.[19] Aan de 27-jarige Jan Brooke de taak om de nieuwe activiteiten van het bureau op- en uit te bouwen. In dat kader waren twee vragen die haar werden gesteld tijdens de sollicitatie ietwat curieus: “Can you type? And do you know how to use a word-processor?”[20]

 

Binnen de traditionele ingenieurscultuur was milieuadvies geven al een behoorlijke verandering[21]. De praktische consequentie ervan was minstens zo revolutionair: de technische milieu-experts waren namelijk vrijwel allemaal vrouwen. De onwennigheid met dit nieuwe fenomeen[22] spatte van bovengenoemde vragen af, waarop overigens – zo vertelde Brooke – onmiddellijk de geruststelling volgde dat ze natuurlijk geen tikwerk hoefde te doen.

Posford Duvivier Environment

Eind oktober 1989 werkten 3 milieuwetenschappers binnen het bedrijf.[23] Kort daarna werd de kersverse bedrijfsactiviteit onder de noemer Posford Duvivier Environment (PDE) gelanceerd. De eerste opdrachten kwamen vooral van overheden die intussen verplicht waren om bij projecten Environmental Impact Assessments te laten uitvoeren: zonder EIA geen bouwvergunning. Posford’s kustspecialisten werkten veel voor deze markt en fungeerden als interne opdrachtgevers van PDE. 

 

Brooke en het PDE-team waren pragmatische specialisten die milieu en techniek niet als tegenstelling zagen. Hun streven was om in kust- en havenwerken ‘met de natuur mee’ te bewegen en daarbij negatieve milieueffecten zo klein mogelijk te houden. Dat is nu breed geaccepteerd, maar destijds waren het innovaties. Vernieuwend waren bijvoorbeeld het voorstel om in plaats van klassiek herstel van een zeewering te kiezen voor de aanpak van ‘managed retreat’, en het afwegen van economische voordelen van natuurvriendelijke zandstranden tegen de kosten van betonnen kustversterking.[24]

Julia Everard on site in GuyanaJulia Everard in Guyana voor de inkoop van duurzaam geoogst groenhart hout voor een kustverdedigingsproject in Eastbourne, maart 1994. Everard was een van de pioniers op het gebied van hernieuwbare energie. (bron: archief Julia Everard)

Het milieu-gezicht van Posford Duvivier werd bejubeld in een zakenmagazine: “Het is niet makkelijk om kustverdedigingswerken, elektriciteitscentrales, rioleringen en andere noodzakelijke maar vaak onaantrekkelijke voorzieningen zowel esthetisch als milieutechnisch acceptabel te maken. Dit soort werk krijgt steeds meer aandacht in het internationale ‘groene’ gevecht tegen wereldwijde vervuiling. Bedrijven zoals Posford Duvivier lopen voorop bij het herstellen van de grove mishandeling van onze planeet.”[25]

Wereldwijd milieu

De vraag naar milieuadvies nam toe en het team groeide gestaag. Het leeuwendeel van de opdrachten kwam aanvankelijk van collega-ingenieurs van de afdelingen kustwerken en rivieren en de afdeling havens. Na Brooke’s vertrek eind 1996 nam haar opvolger Siân John de opdracht van Alastair Stirling aan om het bedrijfsonderdeel verder op te bouwen. Onder haar leiding verschoven de verhoudingen en werkte PDE steeds meer voor eigen klanten.[26] De milieuopdrachten kwamen – net als het maritieme werk van het bureau – uit de hele wereld. 

 

Binnen Posford Duvivier besloten de partners zich aan te sluiten bij een groter bedrijf, dé manier om wereldwijd succesvol te blijven. Het toenmalige Royal Haskoning was om precies dezelfde reden in 1994 fanatiek op overnamepad gegaan. De hierop volgende acquisitie sloot aan “bij het image van Nederlanders als bruggen- en havenbouwers”, volgens Haskoning.[27]

 

Het groepje van 12 milieuwetenschappers uit 1996 groeide – met het uitdijende bureau mee – tot meer dan 100 specialisten in het Verenigd Koninkrijk in 2018. De bijzondere kennis over milieuaspecten bij havenontwikkeling leidde tot de huidige wereldwijde activiteiten van Royal HaskoningDHV op het gebied van hernieuwbare energie. De groene wortels ervan liggen in Peterborough.


 

 

Over dit project

In oktober 2021 bestaat Royal HaskoningDHV 140 jaar. We vieren dat met de publicatie van een reeks gedenkwaardige verhalen over belangrijke momenten in de geschiedenis van onze organisatie. We zijn trots op deze verhalen en delen ze graag met een zo breed mogelijk publiek. Tussen januari en oktober 2021 publiceren we iedere maand een nieuw verhaal.