Via de in 1856 aangelegde spoorlijn München-Amsterdam kwam een nieuw soort bier op de Nederlandse markt: Beiers bier. Het smaakte anders en zag er anders uit dan Nederlands bier: het was helder. Ook was het duurder, omdat dit – ondergistende – bier lastiger te maken was dan traditioneel – bovengistend – bier. Die hogere prijs zorgde misschien juist – naast genoemde helderheid en smaak – dat dit nieuwe bier een modedrank werd in een tijd waarin Nederland steeds welvarender werd.[1]  

Gerard Heineken was een van de eerste Nederlandse ondernemers die in het nieuwe gat in de markt sprong en overschakelde op grootschalige productie van het populaire Beiers bier. Na de start in Amsterdam koos hij in 1873 Rotterdam als locatie voor een nieuwe brouwerij om ondergistend bier te produceren. Op een polderterrein van 20.000 vierkante meter aan de Crooswijckse Singel (aangeschaft voor 40.000 gulden) startte de bouw van de nieuwe fabriek. Zijn brouwmeester Wilhelm Feltmann, technisch directeur van de brouwerij, werd bouwheer van het project.[2]

Heineken Brouwerij in Rotterdam in 1873 in aanbouw, in het vrijwel lege poldergebied (bron: Heineken Collection)

In 1874 was de fabriek klaar, althans in zijn eerste verschijningsvorm. Want op het fabrieksterrein bleven de bouwprojecten bijna 100 jaar doorgaan: bij iedere ontwikkeling van het bedrijf – van aanpassing in productassortiment tot verbetering van productietechnologie – werd wel iets verbouwd of bijgebouwd.[3] Hiervoor waren steeds architecten, ingenieurs en aannemers nodig. 


Wilhelm Feltmann jr (1845-1897) - Jan Schotel (1845-1912) - Arie Didericus Heederik (1862-1937) (bron: Heineken Collection en Heederik familiearchief)

Feltmann en Schotel

Een van hen was de Rotterdamse architect-ingenieur Jan Schotel. Hij werkte vanaf 1884 met grote regelmaat aan de bouwkundige uitbreidingen van Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij (HBM).[4] De werkrelatie van Royal HaskoningDHV en Heineken begon kort daarna, in 1886. Dat was het jaar waarin de jonge Arie Didericus Heederik zijn loopbaan als civiel ingenieur begon, bij Technisch Bureau Schotel. Onder Schotels leiding ontwikkelde Arie Heederik zich tot zijn belangrijkste assistent en een van zijn trouwste medewerkers: in 1911 vierde hij zijn 25-jarig jubileum.[5]

Schotel was een bekwaam technicus en kon het uitstekend vinden met de serieuze en hardwerkende Feltmann.[6] Hun warme verstandhouding spreekt uit bewaard gebleven brieven. “Weledelgeboren heer! Tot mijn leedwezen moet ik met uw afwezigheid aan den trein van 7.56 opmaken dat uw verkoudheid nog niet is genezen”, schreef Schotel bezorgd.[7] Om vervolgens de wetenswaardigheden van enkele lopende projecten met Feltmann te delen. In Rotterdam omvatte Schotels werk voor de brouwer onder meer het ontwerpen van spoelruimten, legkelders, ketelhuis en machinegebouw, stalgebouwen, schaftlokalen en ‘privaten’.[8] De laatste – piepkleine – gebouwtjes zijn illustratief voor de grootschaligheid van de bierfabriek, en voor de hygiëne en goede arbeidsomstandigheden die Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij zijn arbeiders garandeerde.[9]  

 

Kadastrale kaart met in rood de bouwlocatie van de ‘privaten’. Links de Linker Rotte. (bron: Stadsarchief Rotterdam, 396-01-11272)


Bouwaanvraag uit 1893 voor de kleinste gebouwtjes op het fabrieksterrein, ondertekend door Schotel en Feltmann. De kans dat fabrieksarbeiders toen thuis dergelijke hygiënische voorzieningen hadden was klein; Rotterdam was een notoir vieze en overbevolkte stad. (Bron: Stadsarchief Rotterdam, 396-01-11252 (links) en 396-01-11272 (rechts))  

Bureauovername door Heederik

Het technisch bureau van Schotel had een goede reputatie. Door heel Nederland werkte het aan de aanleg van (stoom)tramwegen, waterleidingen en de bouw van watertorens. Na het overlijden van Schotel in het najaar van 1912 zette Heederik het bureau in Rotterdam voort onder zijn eigen naam: Ingenieursbureau A.D. Heederik (v/h Schotel). De relatie met Heineken zette hij ook voort: voortaan stond Heederiks handtekening rechts onderaan op bouwtekeningen voor de brouwerij. 

Heederik ontwierp vanaf 1913 – in het hoge tempo dat aansloot op de ontwikkelingen binnen de brouwerij – een serie nieuwe legkelders ‘no 26 t/m 30’, een spoelruimte en een pek inrichting.[10] Bovendien ontwierp hij nieuwe moutsilo’s van gewapend beton.[11]   

Gewapend beton gold als dé innovatie in de bouw en was intussen – na een pionierende fase waarin een Britse uitvinder, een Franse bloemist en een rijke landgoedeigenaar plantenbakken en bootjes uit beton construeerden[12] – begonnen aan een serieuze opmars als constructiemateriaal. In het buitenland welteverstaan, want Nederland liep, net als bij de aanleg van het spoor en de toepassing van staal in bruggen, aanvankelijk een beetje achter. Maar omstreeks 1910 was het ‘technisch establishment’ in Nederland overtuigd van de voordelen en werden steeds meer bouwwerken geconstrueerd uit dit nieuwe materiaal.[13] De oprichting in 1911 van het themablad Gewapend beton, “maandblad voor beton- en gewapend betonbouw en tevens orgaan van de betonijzerbond” markeerde deze omslag. Hoofdredacteur van het blad was de jonge beton-enthousiasteling en civiel ingenieur Bastiaan Adrianus Verhey (1883-1947).[14] 

 

Beton verenigt

Betonkennis bleek algauw de verbindende factor tussen drie civiel en bouwkundig ingenieurs van verschillende generaties. De genoemde Bastiaan Verhey kreeg in 1916 het idee om een ingenieursbureau voor bouw- en waterbouwkunde op te richten. Samen met zijn leeftijdgenoot en studievriend Arnold Groothoff (1883-1971) en de – iets oudere – Adriaan Dwars (1874-1946). Ze waren alledrie betonkenners: Groothoff schreef stukken in Gewapend beton en Dwars zat samen met Verhey in de commissie die werkte aan een herziening van de gewapend betonvoorschriften.[15]

Direct na een vliegende start in 1916 – de acquisitie liep op rolletjes dankzij Groothoff en zijn waardevolle connecties[16] – en de vestiging van het bureau ‘Dwars, Groothoff en Verhey’, zochten de laatste twee contact met A.D. Heederik. Ze kenden de Rotterdamse ingenieur van eerder werk. Hun voorstel: samenwerken in een ‘vereniging van bureaus’. Vanwege de uitbreiding van arbeidskracht, maar vooral vanwege de ruime en relevante ervaring van de intussen 55 jaar oude Heederik zagen ze samenwerking als een – ook commercieel – nuttige versterking.[17]  

Heederik ging op het voorstel in. Miste hij een opvolger in zijn bureau en zag hij de samenwerking met de jongere mannen als een kans om zijn bureau over een tijdje aan hen over te dragen? Voelde hij zich verplicht hen te helpen? Of – en dat lijkt het meest waarschijnlijk – dacht hij al voorzichtig aan de toekomst van een volgende generatie ingenieurs? Die van zijn neefje Jan Pieter Heederik?[18] Het (concept) maatschapscontract bevatte vast niet voor niets een artikel dat stelde dat ieder van de contractanten het recht had iemand aan te wijzen die hem in de maatschap op kon volgen. Mits deze opvolger “voldoende aanleg” had en in het bezit was van “een ingenieursdiploma van een technische hoogeschool”.[19] 
 
Foto links: v.l.n.r.: A.D. Heederik, H. de Wolff, kleine Jan, grote Jan, grote Bep en kleine Bep. De kinderen van de broers Heederik hadden dezelfde namen gekregen. Foto rechts: Jan Pieter Heederik thuis in Rotterdam. (bron: Heederik familiearchief)

Hoe het ook zij: de contracten werden getekend, de winstverdelingen vastgelegd en op 1 januari 1917 startten de “Vereenigde ingenieursbureaux voor bouw- en waterbouwkunde”.[20] Daarmee begon een tijdperk van gezamenlijk boekhouden en zelfstandig functioneren van twee bureaus, vanuit Rotterdam en Den Haag. 

Ontwikkeling van de bureaunaam en de komst en het vertrek van de leden van de maatschap – tussen 1912 en 1936.

Heederik en Verhey voor Heineken

In Rotterdam zette Heederik zijn werk voor Heinekens brouwerij voort. Na de geslaagde toepassing van gewapend beton in de moutsilo’s en de realisatie van een nieuw gerstreinigingsgebouw op het terrein aan de Crooswijkse Singel, werkte hij vanaf 1920 aan het ontwerp van een nieuw ziederijgebouw met moutsilo’s. Fabrieken waren bij uitstek geschikt voor toepassing van het moderne, goedkope en brandwerende materiaal. Dus verwerkte Heederik – wederom – gewapend beton. 

Ondanks de gekelderde bierconsumptie tijdens de Eerste Wereldoorlog, zag Heineken, intussen geleid door een nieuwe generatie directeuren[21], zijn omzet na 1918 toch groeien. Dit kwam door de overnames die het bedrijf deed. Productiefaciliteiten van de overgenomen noodlijdende brouwerijen werden gesloten, maar de bouw op eigen terrein vorderde gestaag.[22] 

“De ziederij-zaal is het hart van het brouwerij-bedrijf. De Heinekens brouwerij, die haar bier lang in huis houdt, om het eerst op voldoende kwaliteit te brengen voor ze het aan haar klanten aflevert, heeft daarom een groote ziederij-ruimte nodig. Ze gaat daarom aan de Linker Rottekade het nieuwe ziederij-gebouw zetten.”, schreef het Rotterdams Nieuwsblad in 1923.[23] Het toekomstig gebouw had imposante afmetingen: 18 meter breed, 30 meter diep, voorzien van een kelder met daarboven 5 verdiepingen. Het ontwerp van architect Willem Kromhout (1864-1940) werd “een merkwaardig brok fabrieks-architectuur” genoemd. Heederik verwerkte er een minstens zo ‘merkwaardig’ brok beton in. De Rotterdamse aannemer Amstel en Janssen bouwde het geheel.

Locatie van het ziederijgebouw (nummer 61) aan de Linker Rottekade in Rotterdam. Op (fragment) van plattegrond van het Heinekenterrein uit 1924. (bron: Stadsarchief Amsterdam)

Links: Impressie van de ziederij, door architect W. Kromhout (bron: het Nieuwe Instituut/Krom 71-43) Rechts: Ziederijgebouw in de steigers, ca 1924. (bron: Heederik familiearchief)


Het echte spektakel binnenin: gewapend beton en rondslingerend bekistingshout. Let ook op de trotse houding van de poserende heren, ca. 1924. (bron: Heederik familiearchief)

Betonexpert Bastiaan Verhey werkte volop met Heederik mee. Op bouwtekeningen stond weliswaar nog steeds de handtekening van ir. A.D. Heederik, de bijbehorende berekeningen werden allemaal ondertekend door ir. Verhey.[24] Het project – weer een ontwerp van architect Kromhout – dat volgde op het werk aan het ziederijgebouw, voerde Verhey geheel zelfstandig uit. Hij correspondeerde direct met Heineken’s Bierbrouwerij, en tekende en berekende aan het nieuwe ketelhuis met kolenbunkers en een daarbij horende los- en laadbrug over de Linker Rottekade.[25] 
 

Afbouw en groei

Stukje bij beetje had Heederik ook de andere “zuiver technische werkzaamheden” van zijn bureau overgedragen aan Dwars en Verhey, die in 1920 van Den Haag naar Amersfoort waren verhuisd.[26] De overdracht liep parallel met de achteruitgang van zijn eigen gezondheid. In 1929 staakte hij zijn bureau in Rotterdam.[27]  

Behalve de geleidelijke overdracht van zijn opdrachten, inclusief die voor Heineken, benoemde A.D. Heederik een opvolger die zijn achternaam droeg: zijn neef Jan Pieter Heederik.[28] Jan Pieter was in 1929 afgestudeerd als civiel ingenieur in Delft en kwam in datzelfde jaar bij het bureau van Dwars en Verhey in dienst. De gedreven jongeman bleek – niet helemaal onverwacht – een aanwinst. Vijf jaar later werd hij de nieuwe compagnon van Bastiaan Verhey.

Het voorjaar van 1934 was tumultueus verlopen voor de oude en de aspirant compagnons. Een steeds verder voerend conflict tussen Dwars en Verhey had de weg voor Jan Pieter Heederik naar een rol in de maatschap – en feitelijk: het opvolgen van zijn oom – niet makkelijker gemaakt. Maar op 1 april 1934 was de kogel door de kerk: “Baas!” noteerde de jonge Heederik die dag opgetogen in zijn dagboek.[29] Vanaf dat moment heette het bureau: Ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey.[30]   

Misschien nog meer dan de komst van Jan Pieter Heederik, markeerde het overlijden van zijn oom in 1937 het einde van een tijdperk. Maar de liaison tussen het ingenieursbureau en de brouwerij bleef ook na dat jaar bestaan. De verdere expansie van Heineken buiten Nederland verschafte de ingenieurs een reeks wereldwijde opdrachten; variërend van werk op het Indonesische Soerabaja in de vijftiger jaren tot de uitbreiding van de Heineken brouwerij in Nigeria vanaf 1971 en de nieuwe Vung Tau brouwerij in Vietnam anno 2020.

 

 

Over dit project

In oktober 2021 bestaat Royal HaskoningDHV 140 jaar. We vieren dat met de publicatie van een reeks gedenkwaardige verhalen over belangrijke momenten in de geschiedenis van onze organisatie. We zijn trots op deze verhalen en delen ze graag met een zo breed mogelijk publiek. Tussen januari en oktober 2021 publiceren we iedere maand een nieuw verhaal.